is toegevoegd aan uw favorieten.

Bruggenbouwers

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

hangt laag boven zijn hoofd. „Godlief", zegt Taco weifelend, „nou moet je 's hooren. Jij hebt Anne-Cris daarginder meegemaakt, hè?, dus je weet in wat voor stemming ze moet zijn. Ze heeft er ook over gesproken met me. En nou kan ik dat stuk over Oxford, van je, toch niet goed meer plaatsen. Niet omdat ik anders over Oxford denk, en over die getuigenissen daar, maar omdat ik haar nu toch niet willens en wetens wil grieven." Godlief is al niet meer zoo opgewonden als gisteren. Maar hij praat toch nog wel brommerig. „Och, valt me niks uit de hand van jou, jij bent altijd een windhaan geweest. Geef het maar hier dat stuk. Dan breng ik het naar je collega van „Bosch en Yen", die neemt het wel." Taco haalt het stuk langzaam uit zijn jaszak en reikt het Godlief langzaam over. „Godlief", zegt hij, „jouw vrouw is nou dood. Maar als jouw vrouw nog leefde en je kon zonder moeite wat lams van haar wegnemen, ik zeg nog niet eens: een genoegen doen, maar wat lams wegnemen, dan zou jij dat toch óok even in orde brengen?" Godlief's gezicht betrekt, hij krijgt weerzijds van zijn lange puntneus een paar rare witte vlekken, en keert zich af. „Ga nou maar weg", zegt Godlief, „ruk uit —jij-" „Wat had die man nou ineens?", denkt Taco buiten, „wat was er?"

Als hij het kantoor binnenkomt, zit Bos onder zijn schrijftafel, en kijkt Jozefien de papiermand na. „Wat is hier aan de hand?", vraagt hij. Bos kijkt met verwilderde oogen en een gestrekte hals naar hem op, onder de tafel uit. „Meneer", zegt Bos, „u zal misschien denken aan kwaadwilligheid of zoo, maar ik ken er een eed op doen — ik weet er niks van af. De drukproef van

Bruggenbouwers —19