is toegevoegd aan uw favorieten.

Bruggenbouwers

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

— Taco kan zich niet meer zoo verdiepen in zijn Kroniek, zijn artikelen. Hij leest de couranten en het dringt niet meer zoo goed tot hem door, wat hij leest... Nu loopt hij als een spijbelende schooljongen, onder de middag, door allerlei stille winterstraatjes in de stad, en over de witte vestingwal. De huisjes en de horizonnen staan achter een wijd-uitgolvende sluier van ijle sneeuwveertjes. Hij kijkt er wel aandachtig naar, hij ziet het maar vaag. „Dat ik die rommel innemen wou", denkt hij, „en zoo stom, die dosis allonal was natuurlijk niet eens voldoende. Je zou een dag of wat gemaft hebben, en dan was je toch weer op de been gekrabbeld — nee, veronal. . . Als het veronal geweest was — nou, dan liep je hier nog, omdat Anne-Cris er tusschen kwam, die nacht. En wat moet het nou allemaal? Ik moet toch een beslissing nemen? En Cobie . . .?" Hij maakt een steunend geluid.

Aan tafel kijkt hij verstolen naar Anne-Cris. Een witte armzalige Anne-Cris is het nu maar. „Weigel was hier", zegt ze, „hij wil weg uit Rijckevorsel. Hij bracht zoo'n soort van afscheidsbezoek. Het bevalt hem hier niet meer, hij kan zich als inspecteur ook net zoo goed ergens anders vestigen. En Cobie kwam ik tegen in de stad. Ze heeft gezegd, dat je niet naar haar toe moest komen. Ze zoekt je zelf wel 's op — bij gelegenheid." Ze zegt dat gewoon. Ze vertelt nu altijd alles. En dan is er toch altijd nog iets, waar hij op door vraagt. „Zei ze nog meer?", hij heeft rooie heete plekken op zijn wangen, „nee? Waar ging je heen, toen je haar tegen kwam?" Haar glimlach staat tusschen twee rimpels in. „Naar Van Welzum om visch te bestellen." Hij neemt haar