is toegevoegd aan uw favorieten.

Bruggenbouwers

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

nog 's goed op. Ze vermagert met de dag. „Eet je wel?" Hij ziet haar haast nooit eten. Ze schenkt in en bedient, ze let er op wat hij hebben wil en dat reikt ze dan gauw aan. „Wanneer eet jij eigenlijk? Ze kijkt naar hem — wat denkt ze dan toch?, ze kijkt zoo vreemd. Ze wil op haar vuist knabbelen, ze maakt vaak een vuist tegenwoordig, maar ze ziet dat hij er tegen fronst — dan legt ze haar hand gedwee naast haar bord. „Wat is er?", moet hij vragen. Ze slikt een paar keer. „Dat een mensch zijn leven niet over kan doen . . . Haar kin bibbert. Ze trekt haar oogen wijd open om haar tranen tegen te houen. De jongens vergeten door te eten. Ze kijken van Anne-Cris naar hem en weer terug. Ze kijken hulpeloos. Die kleine eigenwijze jongens worden ook anders. Ze grijnzen niet meer zoo. Het zijn niet meer een paar beroerde neuswijze meneertjes. Het zijn kinderen — die onder een hoedje te vangen zijn. „Zal ik een beschuit met jam voor je smeren, Moeder?", mompelt Us verlegen. „Nog een kommetje thee voor je inschenken?", vraagt Thieu haar. Haar kin bibbert nog erger. Ze schudt haar hoofd. „Je Vader", prevelt ze wat terechtwijzend, „moet je Vader soms niet het een of ander?" Ze kijkt er Taco even bij aan. En hij kijkt terug. Een eigenaardige verstolen blik wisselen ze daar. Hij glimlacht — en zij glimlacht terug . . . Dat ontgaat die twee jongens niet. Thieu grijpt Taco s leege theekop al beet. „Ik — voor je inschenken, Vader?" „Kadet hebben?", vraagt Us hem dringend. Hij kan niet schudden. Hij knikt wat bedremmeld. „Die twee apen", denkt hij vaag-verbaasd, „probeeren op hun manier de eindjes aan elkaar te knoopen."