is toegevoegd aan uw favorieten.

Bruggenbouwers

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

ook flitsen. Nee, ze blijft maar goedig naar hem opkijken. „Stille tijd hou ik nu gerégeld, mijnheer, elke ochtend. Prettig?, nee, soms heelemaal niet, maar wel erg noodzakelijk: ik moet veel meer mijn best op mijn werk doen. En niet zoo'n spinnekop wezen, als u 's wat zegt dat ik niet — niet erg aardig kan vinden. En ik moet niet zoo uit de hoogte doen tegen Juffrouw Bos . . . En zóo is er zooveel. Dat praten?, of liever — dat luisteren? Het is iets als — als een innerlijk weten, een innerlijke zekerheid. Doet u het zelf maar 's, dan raakt u er veel beter van op de hoogte, dan heeft u het uit de eerste hand." Hij lacht schamper. „Dank je voor je goeie raad. En maak nou maar wat voort met je werk, Jozefien." Hij blijft toch nog even bij haar staan. Er valt hem iets in, dat moet hij haar nog zeggen. „Dus ik kan dat baantje van jou, nu toch wel aan Rupke geven?, wie weet hoe verdienstelijk jij je dan thuis nog kan maken . . Jozefien's oogen zijn verwonderlijk helder ineens, haar kleine witte tanden blinken. Ze bloost tot in haar haarwortels — ze ziet er haast knap uit. „Doet u dat maar gerust, mijnheer!", tart ze, „Jurgen zal het niet aannemen, nu niet meer." „Och wat!", wijst hij netelig af, „ik zou het niet graag riskeeren met de liéverd." Hij lacht weer zwaar en schamper. Maar hij denkt: „Dat opgaan in elkaar en dat vertrouwen — na alles, dat is dan toch wat opmerkelijks! Bij ons in huis vlot het niet zoo . .

Een dag of wat later komt hij ook Gijs Bard tegen. Het is grauw regenweer. Rijckevorsel ziet er armtierig uit: nat, vaal en kleumerig. Maar Gijs Bard trekt zich daar voor het oogenblik geen syllabe van aan. Hij heeft