is toegevoegd aan uw favorieten.

Bruggenbouwers

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

een helder gezicht: frisch, glimmerig, rood als een appel. En hij haalt een beetje snaaks zijn wenkbrauwen op. Hij lijkt weer min of meer op die oue montere Gijs Bard van vroeger. En voor het eerst sinds Gijs werkloos is, kan Taco Solwerda er toe komen — hem aan te spreken. „Hoe staat jou het leven, Gijs?, heb je werk?, je móet wel werk hebben, dat is je aan te zien, kerel. Wat is het . . .?" Gijs schuift zijn pet wat naar achteren. „Werk . . .?, tja, dat is te zeggen meneer, geen baan en geen baas, maar ja, werk toch wel." Hij grinnikt. „Ik heb nog maar heel in het kort ontdekt, dat ik bezig was beursch te worden, beursch in me klokhuis, ziet u? Het heele jaar lummelde ik maar rond en ik verveelde me gruweldig. Soms kaartten we tot diep in de nacht, de andere jongens en ik. Maar kaarten verveelt ook, tenminste als je het zonder potje bier en zonder inzet moet stellen! Nou maar, toe' heb ik op een keer ineens gezien, dat er zoo'n boel kapotte rommel was, bij ons an huis: het hek van de tuin en de zijpoort en de achterdeur, afijn nog een heele bende meer. En toe' bin ik dat gaan opknappen en toe' zag ik al-maar meer van die dingen en toe' zag ik ook dat ik me oue moeder heel wat werk uit de hand kon nemen, als ik dat wou, en dat wou ik toe' ook en dat doen ik nou: de waschmachine draaien, water andragen, het schoone goed bezorgen bij de menechen, houtjes hakken voor de vuurduvel, piepers jassen en — als-maar kapotte dingen maken. Als je daar eenmaal de vinger achter heb meneer, dan krijg je er toch zoo'n liefhebberij in. Maar vóór ik dat zoo inzag — al die tijd daarvoor ben ik eigenlijk een beduveld stukkie lamlendigheid geweest. Zoo te hooi en te gras deed ik 's