is toegevoegd aan uw favorieten.

Bruggenbouwers

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

naam tegen haar is, zwijgt ze. Hij zegt: „Ik kom hier om uit te rusten." En ze zwijgt. Nu denkt hij: „Wanneer heeft zij zich 's kunnen uitspreken tegen mij?, wanneer heb ik haar opgemonterd? Was ik ooit geduldig voor haar?" Hij haalt diep adem. „Een ellèndeling, is het niet?" Hij krabbelt iets in dat opgeslagen reportersbloc, een paar letters maar.

Ineens staat hij ook weer boven het gonzende pruttelende water van de Eggel. Er drijven vlammende kleuren door de blinkende namiddaglucht, de geveltoppen lijken van goud. Cobie Savrij staat bij hem, Cobie die nuchter tegen hem praat en met hartzeer tegen hem glimlacht. Cobie, die zichzelf en haar eigen hartewensch en haar eigen baloorigheid opzij schuift, om hem niet in de weg te staan, en die daar op die late namiddag nog voor het laatst wacht, op een goed woord van hem, een woord om mee te nemen het eenzame leven in . . . En wat zei hij haar voor goeds?, wat gaf hij haar mee? „Het beste", zei hij droog. Hij schuift zijn tanden over elkaar — het knerst. „Een lammeling, hè?", zegt hij heesch, „een lammeling, hè?" Hij zet weer iets op dat bloc, zoo'n enkel woordje.

En dan is Marees er ook weer, Marees de verkommerde-die-lacht, die blossen heeft zoo rood en zoo hoog en zoo rond of een pias ze geschilderd heeft . . . Taco ademt beklemd. Daar is de kille hooge keukenkamer van het Spinstuk. Alles staat daar eenzaam in de eenzaamheid, de stoelen aan de wand, het bord op tafel. Zijn Moeder kijkt er naar en zegt niets, kijkt ook naar hem en zegt niets. Jaren lang heeft ze zoo gekeken. Eerst vanmorgen viel het hem op. „Een mispunt,