is toegevoegd aan uw favorieten.

De koets

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

't Zou haar meer gerieven, zoo Maarten ook eens aanving met werken, gelijk Gert en Habbe. „Jij groeit maar Maarten en er komt nooit iets uit je handen. Wat kon zoo'n jongen als jij bent, al niet meedoen in de kooi. Over een jaar ga je van school af en — zie ik het wel — je bent geboren met twee linkerhanden. Wat moet er van je terecht komen jongen, als je geen gewenning aan den arbeid krijgt? En je kan zoo helder leeren, zegt de meester. Zie dan toch naar oom Habbe. Wat heeft die ooit geleerd? Maar hoe werksch is heel zijn wezen. Of wil jij soms moeder niet meehelpen, als het straks zoover is ?"

„Maar ik ben zoo gauw moei als ik werk, moeder. En heb ik de leste drie paaschvacanties niet achter het schilijzer gestaan?"

„Dat heb je. Maar wie schilde 't kleingrauw? Dat was Gert, en dat keind is een kop kleiner dan jij. En jij wier al moei van davidjes en topteen. Maar dat is toch heel niet goed, Maarten; je zal toch ook aan zwaarder werk moeten gewennen."

„Ik zal het beter probeeren, moeder." Over de porceleinen fluit had hij 't al niet meer. Dingen, die je heel graag wil met de volheid van je gansche verlangen, zijn altijd zoo onbereikbaar. Daarom drong hij dat verlangen maar weg, want hij was ook bang moeder dan zuiver te moeten verklaren, waarom hij zoo'n klare fluit wou hebben. Maar wat was zoodanig verlangen dan ook onnut voor een nog schoolgaand kind wonende in het achterland. Als moeder hem gevraagd had — waarom Maarten — wat had wel zijn antwoord moeten zijn? Hij zou dat toch misschien geen naam hebben