is toegevoegd aan uw favorieten.

De koets

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

wit en slap. Hij is den winter die daarop volgde ook niet naar de school geweest, want het verre gaan heeft hem te veel vermoeid. Maar toen 't wéér lente werd, heeft hij nieuwe kracht door z'n polsen voelen slaan.

Moeder was in die dagen zoo bang. Ze vroeg hem al nooit meer, waarom hij geen kleingrauw schilde en alleen maar davidjes of topteen. Ze dorst het bekant geen naam te geven, dat hij zoo bleek was en zoo slap. Als de praat daarover kwam, weerde zij 't bangelijk af. „Maarten wordt al weer sterker," meende ze: "hij is in z'n groei. En je hoest toch nooit, waar Maarten?"

Maarten hoestte weinig en dat was haar tot groote verheugenis. Want haar man heeft wèl gehoest, heel haar huwelijk door. Twee jaar later dan andere kinderen en gelijk met Gert, ging Maarten voorgoed van school af. En in die Meimaand kwam de dominee naar 't kooihuis, om over de toekomst van de kinderen te praten. De voogd was een zijner diakenen en hij wist om en nabij, hoe 't gesteld was in het eenzaam gezin, daar midden in het land.

Hij moest vernemen (wat hij zelf ook wel wist) dat Maarten een gewillig kind was, maar tot weinig zwaar werk bekwaam. Z'n jongere broer Gert stond gereed direct aan te vallen in het kooikersbedrijf. Moeder ging het daarom nu wel wat makkelijker krijgen. „Maar als je voor Maarten eens wat buitenshuis zocht, vrouw Stam, ik dacht aan licht werk in een streek waar veel bosschen zijn?" vroeg dominee. „Ik kon wel eens naar m'n neef schrijven, die is bedienaar des Woords in Veenendaal."

„Weg?" vroeg Dirkje, „hier bij ons vandaan? Zal het keind dat eigens willen?"