is toegevoegd aan uw favorieten.

De koets

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

niet? Zijn die ook al pierstekig, moeder? Zeg het dan toch!"

„Alle kinderen hoesten toch wel eens. Maar Gert is gelukkig erg sterk. Hij werkt als een manmensch. 't Zal hopelijk vergroeien. En Habbe, zie dien jongen aan .... dat wordt een boom."

„Jaat. Heel wat anders dan ik. Ik was zoo van jongsaf, waar moeder?"

„Eigenlijk wel. Maar 't is de laatste jaren erg verslechterd. Gert en Habbe, wees jij nou maar gerust, Maarten, je broers die zijn sterk. Als ze maar eerst goed door de jongelingsjaren komen . . . ."

„M'n leven zou ik daarvoor af willen geven. Ik ben toch maar een uitgemolmde koolstoof. Meer niet."

„Zeg dat zoo niet, Maarten, 't Is den Heere verzoeken. Ik acht, dat je niet meer zoo naarstig bidt als vroeger, Maarten."

„Ik kan bekant niet meer bidden." En dat gezegd hebbende nam Maarten z'n fluit en slungelde naar de broeklanden.

Een onnutte jongen, niemand ter hulpe, niemand tot last. Zelden meer was hij verbitterd. Hij groeide nog wat in de lengte, zijn handen werden slanker, de seizoenen kwamen en gingen, maar in zijn ledig bestaan veranderde niets. In IJsselstein woont ook zoo'n lange bleeke jongen; ze leeren elkaar kennen op een wandeling bij de Snellenburg. Maar 't is Maarten niet mogelijk gebleken, vriendschap te onderhouden met dien ander. Een nijdig-opstandige met verdorven gedachten. „Als ik zeker weet dat ik kapot moet," zei hij op een keer, „dan wil ik eerst nog goed vreten en zuipen,