is toegevoegd aan uw favorieten.

De koets

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

beider leven. Zelden vond hij doode vogels. Andere dieren vernielen zelfs de resten van wat eens leefde, jubelde, zweefde naar de wolken. Of die levens dan ten einde geleefd waren, ofwel uitdoofden in den aanvang alreeds, wie vraagt er naar. Het landsbeeld der polders blijft eender en onbewogen er onder. In het vredige grastapijt, in de lucht, in de rimpellooze slooten, woeden moord en overheersching en we zien het niet, we weten het amper.

En op dien Tiendeweg tusschen Benschop en Blokland gaat een hoogopgericht leven, dat bijna in den hemel schouwt, en ook dat leven zal straks neergewurgd liggen op de aarde, om erin te worden neergelaten. Maarten speelt wat op de fluit en hoort zichzelven met welbehagen. Speelt hij ja werkelijk altijd hetzelfde lied? En is het wel een lied? Hij vraagt dat niet, maar laat weer jubelen de klare melodie door deze asemende stilte der polders. Menschen zijn hier niet om hem te storen.

Dat heeft hij althans gemeend. Maar nu hij is gekomen aan de kwakel van het Engelsche pad, ziet hij, dat zijn fluitspel toch is beluisterd. Daar zit, met de handen in haar schoot, een meisje aan het water. Ze heeft een los afhangende jurk aan van luchtig veelkleurig goed. En ze heft haar oogen naar hem op, nu ze hem ziet. Kijk, dat is dus de fluitspeler, een ranke jongen, met te lange armen. En het is wèl een boerenverschijning in zijn pillowsche broek en den blauwen verstelden kiel. Maar hij is blootshoofds en de jongens uit de buurten hier, dat weet ze goed, ze dragen zwarte kleppetten.