is toegevoegd aan uw favorieten.

De koets

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

„Fluit me eens wat voor. Maar daar hoef je niet zoo van te schrikken. Ik hoor het heel graag.

„Vind je 't dan mooi?"

,,'t Klinkt hier zoo wonderlijk over het water." „Dat heeft er nog nooit eentje tegen me gezeid. 'k Veind het zoo raar, om voor je te gaan staan

fluiten." i • o ti i

„Je doet het zeker altijd voor je eigen plezier.'' Ik kan

dat begrijpen. Ik ook, ik kan soms ineens zoomaar gaan zingen."

„Waarom?"

„Als ik me erg gelukkig gevoel, of zoo zonder oorzaak ook wel eens. Als 't heel stil om me heen is. 't Is hier soms zoo stil, zoo stil.

„Tegen dat de avond valt."

„Ja, dan heel erg stil."

„Nooit is 't zoo stil, als in den zomernacht bij een brand. Maar versta je dat niet? Heb je 't nooit weten branden in den polder? Als zoo'n hofstee aan den dijk afbrandt na zwaren regen, hemelvuur? Dan knapt het riet en onder het riet woelt en wroet het vuur. En de balken gaan sissen en ze ploffen zacht neer en de luc t is ros met zwart en de menschen snikken stil voor zich uit en dan is het in al dat nachtgeluid zoo barmenschelijk stil. Zóó stil is het nooit overdag. Maar als ze met de spuit komen en als ze pompen en schreeuwen en loopen,

is die stilte voorbij."

„Dat heb je natuurlijk beleefd, waar? Anders kon

je daar zoo mooi niet van vertellen.

„Twee keer. Twee keer en omtrent eender. Wat was

dat stil."