is toegevoegd aan uw favorieten.

De koets

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

„Twee September begint de school, maar ik kom 30 Augustus al terug. Dien dag zal ik hier terug zijn."

„Zal je denken, aan wat ik je vandaag gezegd heb, Yera?"

„Ik zal wel moeten. Ik zal veel aan je denken."

En op dat woord nam ze afscheid. Hij raakte beschroomd haar hand even aan, een sterke hand. Haar arm was bruin van 't veel buiten zijn in de zon. Wat een sterk meisje. Wat klom ze kwiek over 't damhek en zie toch, hoe krachtig ze over het pad van 't hooiland trapt. Met zoo'n snelle fiets is ze in een wip weer aan den dijk en weg. Nog ziet hij haar lichte gestalte even, maar nu is ze tusschen de boomen opgenomen. Zal dat lang duren, aleer ze terug is? Dertig Augustus en die lange maand is nog niet begonnen. Hij bukt zijn kop en denkt na. Die afstand is te verdeelen. Zes en dertig dagen, twee maal twee, maal drie maal drie dagen.

Zes en dertig dagen, doellooze dagen. Maarten Stam loopt door den huis, dwerrelt langs hun kampen en de tochten van het kooihuis, hij telt de uren van de dagen en de kwartieren van de uren. Hij staart 's namiddags naar de schaduwen om te zien hoe ze al langer worden. Zijn fluit neemt hij maar zelden mee op de wandeling, tenleste in 't geheel niet meer. En in die gansche Augustusmaand is hij maar tweemaal zoo diep den Tiendeweg opgegaan, dat hij aan 't Engelsche pad toekwam. De eerste maal, dat was daags nadat Yera was afgereisd en toen nog wijl hij daarmee volgde een gewoonte van doen. Eerst toen hij moe en toch vredig in zichzelven, daar aan het damhek stond en onder de zon