is toegevoegd aan uw favorieten.

De koets

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

uitkeek naar Benschop, werd het hem wezenlijk bewust — een soortement slag in zijnen nek als met een knots — dat het Engelsche pad heden leeg zou blijven. Dat ze niet komen zou om met hem te praten, om voor hem te zingen. Dat ze heen was. Vandaag blijft het pad ledig, morgen, overmorgen, zes en dertig dagen. Waartoe dan nog gekomen naar het damhek, waartegen hij zoo vaak verlangend heeft geleund, tot hij haar kleurige jurk zag bewegen en loskomen uit den lagen wand van boomengroen, begrenzend de hooilanden der Benschopsche boeren? Verlaten ligt daar het afgeschoren hooiland. Heel in de verte, zeker in een aarpelkamp (maar dat is van hieruit niet te onderscheiden) ziet hij twee menschen werken. Dat zal wel schoeffelen zijn, schat Maarten. Stoepmeiden, die het aarpelland schoon houden. Belijdende lidmaten van de kerk zeker. . . . dat zijn ze hier omtrent toch allemaal. Alleen dat eene meisje niet. Al zingt ze nog zoo mooi over de bloemen, van de natuur en over liefde, ze kent haar Heiland niet. Ze is toch zoo verbaasd, omdat hij haar dingen zegt, die heel en al vreemd voor haar zijn. Maar 't zijn toch de gewone woorden des geloofs, van ieder belijder geweten. En toch is Vera zoo ernstig en ze luistert met genegen aandacht. Als die twee schoeffelende meiden hier waren, of een van die twee, dan zouden ze gekkebekken en lacherig doen, dan zou hij 't ware woord om van den Heere te getuigen zeker niet vinden kunnen. En dat zijn dan lidmaten. Maar Vera heeft geen weet van het Heil dat onder ons verscheen. Hoe zijn hart hem trekt naar het ernstige meisje, waar de nieuwe mensch niet in opgestaan is, de oude mensch niet afgestorven.