is toegevoegd aan je favorieten.

De koets

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

reed op zijn brik naar Ameide terug. Hoe is zoo iets mogelijk? Vier kinderen uit het eigen nest, die een broer in nood verstooten. En daarbij een tweelingzuster, tezamen met hem opgewassen. Ze zijn daar rijk, ze zitten op het vadersgeld dat zoo rijkelijk is, dat ze 't bij lange niet behoeven, wijl ze als mummelende konijnen in een kotje tezamen wonen. Hoe kunnen ze dit, hoe harden ze het: aldus een leven lang tezamen blijven zonder eigen gezinnen te stichten. Hoe scheuren ze niet uiteen van verlangen naar een eigen gezin en een eigen nieuw geslacht. Wat moeten ze aldus doende, heele dagen tegen elkandere zeggen?

Maar ik, ik heb wèl een gezin, denkt hij bitter en ik heb dan ook een geslacht. Drie kinderen heb ik, drie. En een vrouw. En een hit en een wagen. Wat gammel huisraad, gespaard uit de vendutie en dan m'n vrouw nog wat poover kleer voor zichzelf en voor de kinderen. Mooie dure kleer is 't geweest, maar aan alle kleer komt eens een eind. De etenskasten zijn leeg en de kleerkast bar uitgeleefd, 't Pak, dat ik aan heb, is m'n Zondagsche en tevens m'n daagsche. Maar op Landlust is lakensche kleer en eten, vet en vleesch en worst, al het goede van het land is er. Ze geven een bedelaar nog een stuk brood, mij — hun eigen broer — laten ze krepeeren. Te O verlek word ik opgewacht in hope, want ik ben geweest naar de rijke permentasie. Wat moet ik ze zeggen bij thuiskomst?

Maar toen hij opzij van zijn gering huis in Termey van de brik steeg, zagen de oogen van het eens zoo weelderige Bergambachtsche wijf het al: haar vent bracht geen geld en geen uitkomst mee van z'n ouwer-