is toegevoegd aan uw favorieten.

De koets

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

huis in Benschop. Och menschen en 't gaat winter worden. Zij die daar gunter zitten in het goeddichte huis, ze zullen vast niet verkommeren. Maar voor haar kinderen hier in de armoei, zal er geen dekking zijn en geen vet, dat inwendig verwarmt. En geen hout en geen

kolen om te stoken.

„Hebben ze dan niks willen doen veur onze kinderen,

Gertjan. Niks?"

„Ze denken nog eer aan hun koeien."

„O toch . . . ."

„Als zoo'n stomme koei reutelt in den nacht, staan ze schielijk op. 't Koeigie kon toch het kalf verleggen, of 't kan al nood zijn om te kalveren. Ja, ze waken bij het vee, zoo ze kalf verwachten. Maar nu onze drie keinderen? Die achten ze minder als drek. Morgen verkoop ik hit en wagen, dan zal er weer eten zijn."

„En dan heb je niks meer, Gertjan."

„Niks? Dan heb ik geld op mijn handen. En met dat geld, vrouw, met dat geld zal ik nieuw geld maken. Wij zullen 't winnen, niet opgeven. Nooit! Dan zullen ze nog zien wie wijzer handelden, zij in hun verdommelijke geldbelustheid, waarvoor ze d'r eigen lijf en jonge leven afgaven, of ik. Je moest het weten, hoe ze daar zitten met z'n vieren, als huisduiven in een traliekooitje, als konijnen in een kot. Ze maggen een heel leven lang nooit kijken naar een vrouw of een vent, o nee. . . . dat ware zoo gevaarlijk. Daar komt soms trouwen van en dan gaat de kluit uiteen, dan moet er overnieuw gedeeld worden en dat vermindert den opgetasten rijkdom. En ze willen juist, dat al het geld en goed en land en behuizing bijeen blijft. Maar aldus