is toegevoegd aan uw favorieten.

De koets

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

ze nou lachen, Huib en Jakob en de twee gezusters, als ze daar achter in Benschop er al weet van hebben, dat z'n wijf als een hoer is gaan loopen. En zeker weten ze dat, ze weten altijd alles. Ze zitten daar maar grijnzend en stil op Landlust, ze leven amper en beleven niks, maar naar het vechtende bestaan van anderen kijken ze met welbehagen. Daarom willen ze ook alles weten. Weten, weten, maar zonder een vinger uit te steken, weten uit wraaklust. Want hun verdoemelijke voorspellingen komen zoo mooi uit .... ah, wat zullen ze toch bar tevreden zijn, de vier gekooide bidders tegaar.

En nog meer gelijk gaat hij ze gunnen. Want hij kan dit zware leven zoo niet volhouden, tot de ouderdom hem gansch en al zal hebben getemd. Gertjan moet éen keer zijn ellendigheid vergeten en vindt ree vrinden, die met hem zuipen willen. En in die omgeving van rauwe vrinden levend, zijn er ook wel meiden, van aard los genoeg dat ze van den oudwordenden eenzamen koopman nog wel gediend zijn. Maar zoodanige liefde is hem te goor, hij kan er alleen maar op spuigen als zulke kuren weer bij hem uitgeraasd zijn.

Rauw is hij menigmaal voor zijn kinderen. Wat loopen ze daar eigenlijk door den huis, deze binders van zijn handen, die van zijn hoerig wijf hem overgeschoten en achtergelaten zijn. Maar Gertjan ervaart hoe zeer dat doet aan Thera, als hij half zat het huis in valt, of Zondagen lang duister voor zich uit zit te staren, denkende aan niets. Droevig is 't in dit meidje van hem, als hij zoo starrelings staart. Want dan hindert hem alles, de minste beweging van een kind,