is toegevoegd aan uw favorieten.

De koets

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

„Maar ik blijf bij je; altijd, altijd."

„Hou je dan van me, Thera?"

„Niet altijd, vader. Maar nou heel veul."

„Ja, 't is zoo. Ik ben niet goed voor jullie geweest. Met eten en kleer en dekking is 't niet alleenlijk gekocht. Jullie hebben hartelijkheid van doen, waar keind?"

„Zou moeder ooit nog weerom komen, vader?"

Nooit! — wil hij zeggen. En als ze ooit komt, dan trap ik haar de pooten kapot!! — wil hij schreeuwen. Maar hij ziet den angst om een hard weerwoord in de oogen van zijn oudste kind. „Misschien. . . ." zegt hij met saamgenepen keel. En hij neemt waar hoe ze innerlijk opgelucht is door dien kleinen troost.

Van dien dag af is Thera altijd dicht naast hem geweest. En ze ging vader vertrouwen, hem alles zeggen en alles vragen, wat in haar aan vragen opstond. Want ze had ervaren, dat vader daar altijd zoo vrindelijk en aandachtig door werd. Ja, dat open-waaierende vertrouwen maakte hem week. Week en sterk tevens, sterk tegen de donkere gelusten. En vaders nieuwe hartelijkheid straalt ook over op Goof en ook op Martje, al lijkt dan dat jongste kind zooveel op de verzaakster.

Thera wordt nu ook in den huis steeds beter hulp. En Gertjan vraagt zich af, wanneer hij die vreemde wegsturen kan. Hij wil zoo graag weer onder eigen volk zijn. Als er dan toch een vrouw moet ontbreken in zijn woning, dan ziet hij daarin liever zoo'n betaald mensch niet rondloopen. Hij is er altijd een bits man voor gebleven, hij heeft haar op den tijd betaald, maar er eigenlijk nooit eenige hartelijkheid aan besteed. Alsof