is toegevoegd aan uw favorieten.

De koets

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

hier in 't huis der heldere verschrikking gehoord heeft nog wel schotsch-scheef dooreen en een groot besef van smart en vernedering maakt zich uit die warrigheid los, maar alle kracht haar overig wil ze nu nog spendeeren. In de aanwezigheid van de vrouw, die haar eigen broer vergeten heeft in zijn nood en nu wéér alleen laat in zijn ondergang, wil ze niet zwak zijn.

Ze gaat stram naar Geertemoei toe en nijpt krachtig de hand van de gekluisterde onnutte vrouw. „En toch zal ik altijd gedenken," zegt Thera bloedkalm, „dat je 't goeie met me voor hebt gehad, dat wel. Dag Geertemoei, denk goed aan mijn vader, je broer." En ze loopt zwevende naar de glanzend-gelakte deur. Niemand heeft haar toen uitgelaten, maar Thera vindt eigens wel den uitgang en ook de koets, waar ze weer in moet. De koets, waar Bas van 't Hoog al klaar staat, met de zwiep in z'n hand om het portier beleefd te openen en te sluiten. Zoo hoort het vat je, zelfs voor een stoepmeid onder de boeren hoort dat zoo.

Bas heeft een star-starend vrouwspersoon, maar toch een van deftige gestalte, in het rijting zien verdwijnen. Zij zit nu alleen in die holte waar plaats is voor vier, alleen met een angst, te groot om te kunnen uitschreeuwen. Een uur lang zit Thera Yermaat deinend en schokkend in de koets. Huizen glijden langs, huizen van rijken, huizen van armen. Welk huis zou een ramp omsluiten, zoo groot als de ramp waar zij thans weet van heeft? Waar is zulk een ramphuis? Maar onbewogen rijdt de koetsier langs water, boomen, huizen, langs menschen vredig rustend in den laten zomeravond die mild is en goed. Thera Yermaat durft naar buiten