is toegevoegd aan uw favorieten.

De koets

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

haar klare oogen later uit zijn gedachten nooit meer kwijt kunnen geraken, dat zag hij aankomen. Durfde hij nou maar wat liefs zeggen tegen dat standbeeld, maar Bert Manschot — 't is over hem gezegd een raar woord — hij was bleu geworden. En z'n klant leerde fietsen. Beroerd snel leerde die vent dat en als Bert nou nog éénmaal terug kwam bij den kantonnier, dan kon die vlugge jongen al los trappen, had hij dus geen hulp meer noodig. Wat kan den knecht daarna nog heelemaal naar Tuil voeren?

Bert zat wéér aan die tafel en hij zweette. Want dit was eindelijk toch de laatste maal; nu moest hij toch wat doen of wat zeggen, anders was alles voorbij. Maar ging dat nou zoomaar? Deze menschen zijn vrindelijk voor den boerschen fietsenkoopman geweest, dat is waar. Ze hebben hem koffie ingeschonken en krentenmik laten mee-eten. Kon hij nu zoomaar tegen de huisdochter zeggen — amper weet hij dat ze Mijntje heet — Mijntje ik hoor een klok luien in mijn kop, als ik jou vrindelijk naar me lachen zie? Is dat niet schrikkelijk astrant, zoomaar waar de anderen bij zitten?

Hij moet nu gaan en vrindelijk bedanken voor de clandisie en voor de koffie, de koek, de toegenegenheid. Bert staat bevend op, net een slappe vent. En hij gaat langzaam rond om handen te geven. Bij Mijntje komt hij het laatst, maar haar aankijken durft hij voor geen goud. O, denkt hij, had ik heur nou toch maar eventjes alleenig, ergens op een Tiendeweg, wat zou ik 't heur toch zeggen. Maar tegelijk dat hij zich dat voorstelt, weet hij tevens, dat hij dan even onthutst en bang zou zijn. Dat ware dus allemaal eender. En waarom dan