is toegevoegd aan uw favorieten.

De koets

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

hier niet stout gesproken, waar de anderen bij zijn? Hij gaat toch geen slechtigheid zeggen?

Onnoozel staat hij daar met de stevige hand van Mijntje in de zijne en ze trekt die terug, want dat duurt zoo lang met dien duizeligen jongen en ze vindt het zoo gek. Maar Bert staat, waar hij staat, hij heft zijn oogen op langs haar gestalte, ziet de felle ronding van haar borstjes in de katoenen jurk en met bloed in de oogen stoot hij er uit, zoomaar: „Ze maken ook fietsen voor vrouwvolk! Jij kan d'r een voor niks krijgen van mijn."

„Da's te geef, man," zegt haar moeder verschrokken, „maar ons Mijntje heit van jou gien fiets noodig voor niks."

„Ikke meen het goed," zegt hij verschrokken. En de astrante Bert, die een meid nog wel zoenen durft op klaarlichten dag en in 't vol pubhek, staat te kleuren als een schoolkeind in die arbeiderswoning. En Mijntje kijkt den raren vent aan. Ze kijkt hem diep in de oogen, maar dat kan hij waarlijk niet verdragen en hij moet wel knipperen en z'n blik afwenden ook. En omdat niemand toen meer wat zei, was 't of de stilte in de kamer hem zeer ging doen. 't Is de kantonnier geweest, die 't woord opnam.

„Jij durft nogal wat te zeggen, maat."

„Jaat. En ik meen het; ik wil heur geven alles wat ik geven kan." Maar Mijntje nam haar rokken op en liep de keukenkamer uit. Toen hebben de anderen gezegd, dat hij nou maar weggaan moest. Maar Bert was zóódanig verschrokken van z'n eigen, dat hij bekant niet loopen kon. Hij gleed neer op een stoel en begon