is toegevoegd aan uw favorieten.

De koets

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

vol parmans, tot strijd bereid en wel een kop gegroeid. In z'n hersenen juicht het: ik heb heur! ik hou heur vast! en 't is nou meenens en 't is voorgoed!

Maar daarbinnen, waar ze er nog niets van weten, en waar ze hem eigenlijk maar zoowat weggedouwen hebben — ze vonden zijn doen zoo astrant en zoo hufterachtig — daar moet hij nu zijn. Hij wil ze weten laten, dat Mijntje eigens hem zoo astrant niet gevonden heeft, dat haar hartje meer vertrouwen heit, dat zij zuiverder weet te peilen de bedoelingen van een jongen vent die het meent, die het grondeloos meent. En om Mijntje is 't begonnen, haar oordeel geldt. En hij vat zijn nieuwverworven hooge meid triumfant onder de oksels. Oei, ze ervaart daar, wat is die boerige fietsenkoopman machtig sterk, met drie koene sprongen is hij met haar aan de deur, douwt die open en schreeuwt het leege voorhuis in: „Maar ik heb heur toch, ik heb heur gewonnen, verstaan je?!" Lachende als een gek en zonder te wachten wat zijn driest woord voor gevolg hebben zou, is hij toen weerom gehold naar z'n fiets en in 't donkere is hij weggekrost, zoomaar zonder licht. Vergeten had hij, een afspraak te maken wanneer ze hem weerom verwachtte, zijn Mijntje. Maar dat was juist mooi, daarmee zou hij goed aan de weet komen, of ze 't net zoo met hem meende, als hij met haar: tot manslag bereid. Na twee dagen had hij vastigheid daarover. Ze heeft hem een mooien brief geschreven met veel liefs d'r in en drie maanden heeft het toen nog maar amper geduurd en toen begon Bert te werken aan zijn trouwnest. Het vogeltje was gevangen en gebonden.