is toegevoegd aan uw favorieten.

De koets

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Bert Manschot heeft wel woest veel geluk gehad. Want laat die mooie hooge meid nu ook nog wat erfcentjes van d'r eigen bezitten. Daar mag een arme daggelder toch zéker niet op rekenen, als hij uitgaat om een vrouw. Want wat kan zoo'n arm loeder van een knecht eigens wel aanbieden buiten de domme kracht van zijn armen? 't Geluk reed hem zoo gezegd achterna. Hij had, om meer te schijnen dan hij was, bar op den horen geblazen over al de fietsen die hij zou gaan verkoopen. En hij heeft ook, omdat dat woord nou eenmaal gesproken was, kort nadat Mijntje hem een jongetje ter wereld bracht, een hoek van de deel afgeschoten voor werkplaats. Eer Bert Manschot vader was van z'n tweeden zoon, had hij naast het huis een gepotdekseld groengeverfd schuurtje staan, eigens gebouwd en daarop stond te lezen met de vernuftige schaduwletters, waar z'n schoolvriend Piet Strik een meester in was:

en 't heeft er zoo gestaan, tot een jonge snuiter uit de buurt die een blauwen Maandag schoolmeester was, kwam verraaien dat dat heel anders geschreven worden moest, ,,'t Is mijn best," heeft Bert toen gezegd, „de reparatisies, daar heb ik m'n nieuw steenen huis mee verdiend, want de heele keet gaat naaste jaar toch tegen de vlakte. Met fietsen en reparatisies heb ik me vrij gemaakt van 't slavenbestaan onder de boeren, ben ik m'n eigen gezegger geworden." Later noemde hij zijn