is toegevoegd aan uw favorieten.

De koets

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

zaak Rijwielhandel Wilhelmina, daar wisten zelfs de meesters niks tegenin te brengen. Hij had mirakels veel geleerd in die eerste jaren van zijn trouw en in z'n jongenskop kwam een trek van ernst. En van waardigheid tevens, 't Was hem bekant niet meer aan te zien, dat hij als daggelderskind uit een daggeldershuis was komen kruipen, dat hij zelf met spaai en dariebeugel achter in het land had gestaan en amper schrijven kon. Bert Manschot begon in die jaren een liggend wit boord te dragen en zoowaar, dat paste bij zijn postuur. Het zeggen was, dat Bert Manschot zijn vak fijn verstond. Maar zij die dat getuigden, wisten niet hoe moeilijk hij 't zichzelven maakte. Van meet af is hij toch moeten beginnen met dat fijne gepruts. En zijn handen stonden naar zwaar werk, naar grof gereedschap, 't Was Bert in den eersten tijd, of hij zijn lompe vingeren bedwingen moest, opdat ze niet te veel kracht zouden doen. Want hij had meer den aard, om met een vuist of een voorhamer zware slagen af te geven, dan met grijptangetjes en een prullig hamertje moeren open te tikken. Maar hij heeft in dat fijne werk zijn toekomst gezien; hij geraakte er door bevrijd van het domme lompe landwerk, waar van oudsher maar schrale verdienste in steekt.

En bevrijd tevens van den daggeldersstand. Dat vindt Bert nog eigenlijk wel het mooiste. Yan den dag af, dat hij zwaaiend en zweetend een fiets heeft bestegen, is zijn ontstijging boven het lompe volk aangevangen. Dat begon al met het vinden van Mijntje, toch zeker geen slaafsche stoepmeid. Maar al z'n kornuiten moesten wèl een meid van laag portuur aanvaarden,