is toegevoegd aan uw favorieten.

De koets

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

laren naast elkaar voortleven, zacht lachende om wat ze deden en verlangden toen er nog wild bloed door hun bloedaren stampte. Maar wat jong is wil dollen, moet dollen. Ik hou dat zoo niet uit! — denkt Bert zoo menigmaal kopschuddend. Eigenlijk ben ik nog, bij alle fortuin een doodongelukkige kerel. Ga ik dat ooit zeggen aan die mij kennen, ze zullen zeker en vast om me lachen. Want ik ben een nakende neet van een daggelder geweest, heden ben ik fietsenmaker en ik verdien een best stuk brood in mijn eigen zaak. Van knecht patroon geworden en dat zonder groote zorgen en lasten, ik mag niet klagen. Wijders zuUen zij zeggen: jij trouwde de mooiste meid uit verren omtrek, ze handhaaft je huis en gezin naar den eisch, ze bracht nog een mooi stuk geld mee — en zeker voor jouw doen want jij bezat zoogezegd niks — en dat erfgeld werd de grondslag voor jouw welslagen in 't zaken doen. Ze gaf je twee welgeschapen jongetjes en nou loopt ze wéér zwaar voor je. Man, wat wil jij eigenlijk nog meer? Hoogstens kon jij nog wenschen, dat ze je een meidje baart dees keer. We lachen om je, jij bent niet doodongelukkig, maar jij bent een mensch, die de honderdduzend des levens heeft getrokken.

Toch doodongelukkig, zou dan zijn verweer zijn. Want ik hou van de vrouw, als een zatlap van den drank. Ik hou van ware Hevigheid nog meer als van de fijnste fiets, 't Is misschien juffrouwachtig van me, maar ik kan d'r niet zonder. En neem me nou m'n fiets maar af en m'n fietsenzaak, maak me arm en jaag me in de schulden, breek mijn huis af boven m'n kop, als ik dan maar een Mijntje weerom kreeg, dat dartel