is toegevoegd aan uw favorieten.

De koets

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Maar .... nee .... nee .... zoo is het niet. Hij ziet het nu toch, hij ziet het met bei zijn oogen, die dolle lievigheid zit er nog terdege in, want ze kan dansen en ze kan springen, ze kan als 't moest over haar kop heen duikelen, maar dat dolle bewaart ze voor Rijk en voor Geurt en voor Jansje. Soms, als hij aan een fiets staat te prutsen, dan hoort hij 't lieve spul in den huis goed aan, dan verneemt hij haar klaren lach, den lach van een heel jonge meid, dan hoort hij hoe ze speelt en zingt en stoeit en gek doet, o . . . . wat is dat bevreemdend om aan te hooren. Want elke maal denkt hij dan hetzelfde: mijn Mijntje is nou wakker geworden, ze is weer als vroeger, de jonge blije meid uit Tuil is weerom in m'n huis. Dat zal komen, omdat ze nu in enkele jaren niet zwaar heeft geloopen; 't zal misschien in die eerste jaren ook wel wat te schielijk zijn gegaan voor haar levenslust. En als dat lieve spul met de kinderen goed aan den gang is, zoo zou hij er wel eens tusschen willen staan, haar vangen achter een tafel vandaan, gelijk Rijk en Geurt haar vangen mogen. En dan zou hij beur dragen willen door den huis, door de buurten, naar een verte ergens in 't onbekende, alwaar ze vergeten kon, dat ooit de tierigheid uit haar verdwenen was geweest.

Maar als Bert haar dan 's avonds aankijkt, is die joligheid weer opgeborgen en haar wezen staat naar ordentelijkheid. Er verandert niets. Heelegaar niets. Ze blijft een mooi wijf en 't is of de jaren bij haar stil hebben gestaan van dat ze geen kinderen meer ter wereld bracht. Een plechtig mooi wijf; en jolig is ze ook nog op haar tijd .... want ze dolt en dartelt als een veulen met de kleine gasten. Bert Manschot wordt wèl ouder.