is toegevoegd aan uw favorieten.

De koets

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Want er komt in zijn wezen een verdrietige plooi. Als z'n ouwe kwaal, dat ontembare verlangen naar een dartele jonggezinde vrouw ten ende maar luwen kon, zou hij wel leeren verduren, dat zijn ontwakende kinderen van Mijntje bekwamen, waar hij zoo koud van bleef. Maar z'n felheid groeide nog maar aan, sedert dat vuur gedekt bleef. Hij kan soms zijn handen wel opvreten. Ineens heeft hij behoefte om iets zwaars te tillen, dat bijna ligt boven zijn macht. Een doodongelukkig mensch staat daar in de werkplaats een fietsframe te richten, waar een zatte knecht mee gevallen is.

En toen is in zijn moeigedachten kop, die deze groote dingen maar amper bevatten kon, een verdoemelijke gedachte wakker geworden. Waarom — morrelde het in zijn denken — waarom heb ik eigenlijk kinderen? Wat heb ik aan kinderen, wat willen ze in mijn huis? Die uit Mijntje zijn voortgekomen, die haar lijf gewond en uiteengereept hebben, bekomen alles en ook haar vroolijkheid. Deze vier, ze staan nou tusschen haar en mij. Als we 's avonds onder de lamp zitten en de vier liggen in bed, dan nog staan ze tusschen haar en mij. Ja, als we als man en vrouw samen zijn tusschen de lakens, dan liggen ze eigenlijk tusschen ons in, deze vier. Want als Mijntje nog wakker is, ze luistert dan niet naar mij alleen, maar voor de helft is haar oor gespitst op geluid uit het huis, daar slapen die kinderen. En als ze slaapt, dan is de zorg om de kinderen dicht bij haar gekropen, haar wezenstrekken zien daar naar uit, haar slapend gebaar getuigt er van. Want de houding van haar armen als ze slaapt is zoo, dat ze elk oogenblik meteen opstaan kan, om nog duizelend maar toch gewis,