is toegevoegd aan uw favorieten.

De koets

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

den weg te vinden naar het kind dat daar schreiend haar hulp behoeft. En 't gebaar van haar armen, als ze slaapt is mij nooit tot vertroosting, 't Is of ze slapende zegt: Bert, jij hebt in die jaren nou zooveel van me gehad, nou heb jij onderhand genoeg gehad. En 't andere, dat is recbtevoort voor de kinderen. —

Zoo is ze in haar gewone doen. Maar ach, ach .... mocht er een ziek worden, dan vlamt dat nog meerder aan, dan staat ze in den brand van bedrijvige zorg. En of die zorg nou minuten van haar nachtrust vordert of uren en of haar Bert dan onder de lamp alleen zit te wachten of in 't bed zich wakende houdt met macht en geweld, tot ze eindelijk komt .... daar heeft ze amper, weet van. En 't verbaast haar telkens. Wat wil die Bert toch van haar?

„Je bent een ouwe gek," zegt ze en wendt zich bezorgd van hem af, want moegedraafd is ze in zulke uren. En 's morgens is ze mat en uitgeput van 't vele malen wakker worden in den nacht. Toch is ze er altijd het eerste uit, want de kinderen moeten aangekleed worden op tijd. Ze kan er niet op wachten dat ook Bert ontwaakt, opdat die gekke verliefde vent haar nog eens in zijn armen zou kunnen nijpen. De kinderen, de kinderen, roepen haar altijd ....

Ach, hoe zou ze me nu bezien? denkt Bert dan. Misschien wel als een lustigaard, want door haar draven om de kinderen is ze vergeten, dat ik niet alleen naar haar verlang, maar haar tevens zoo grondeloos toegenegen ben. Ik geef haar alles; alles wat maar waard is gegeven te worden, tot m'n geduld toe. En de vier schretters en ruziemakers, wat geven die haar? Ondank