is toegevoegd aan uw favorieten.

De koets

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

„Zal ik je dan morgen een brief mee geven?"

„Nee .... nou. En ik ga er op af ook."

„In den nacht?"

„Nacht of geen nacht."

„Maar zóóveel haast zie ik er niet achter, Bert Manschot. Laat me rustig den brief schrijven en rijd morgen vroeg naar Utrecht. Dat is voor jou toch maar een kattesprong." Aldus heeft Bert gedaan. Na een waaknacht die hem kwaad heugt, reed hij op de fiets naar dien beroemden duren Utrechtschen dokter, die hem beloofde te komen na het spreekuur.

Toen Bert terug door Polsbroek reed en weer z'n woning zag, kreeg hij 't ineens heet en koud. Zou in zijn afwezigheid dat jonkie 't misschien al afgegeven hebben? Mijntje heeft toch zulke kwaaie teekenen gezien, niet voor niets is ze zoo bang geweest voor 't leven van dat keind der zorgen. Hij dierf bekant de deur niet open stooten, zóó reepte de angst nu ook door zijn wezen. En op dat eene moment heeft Bert heel en al begrepen, welke angst Mijntje nu al maanden lang moet genepen hebben. Hij vond z'n vrouw boven bij het ledikantje en hun jongen sliep eindelijk. Maar tot in z'n slaap toe kreunde het kind en je kon goed zien, dat de krampen nog woedden in z'n ingewanden. Bert vroeg of de dokter nog geweest was en Mijntje deed relaas van wat ze vernomen had.

„Nou denkt de dokter weer, dat 't een soortement kronkel in zijn darm is, zooveul heb ik er uit begrepen. En dan moet ons Geurtje worren geopereerd. Wat motten we dan beginnen, Bert? Wat motten we toch doen voor ons keind?"