is toegevoegd aan uw favorieten.

De koets

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

„Zei ik dat al niet," zegt Willem Martens, „ze stamt uit de Achtersloot."

„Zoo weet jij dat óók al; bij wien diende ik daar dan?"

„Ja, tja, hoe heette die hufter ook weer? Noem z'n naam eens gauw."

„Jan Spelt."

„Precies; wist ik toch ook," galmt Christiaan de Raadt, „bij Jan Veiligheidsspeld. Een reuzevent. Een heele kaart roestvrij voor één duppie in mijn zaak."

„Jan Spelt, zee ik."

„Jan Bakerspeld? Jan Haarspeld? Jan Papillottenspeld? Zeg op, hoe heet de schurk nou eigenlijk?"

„Alleenig maar Jan Spelt."

„Precies, zooals ik zei," weet Willem Martens: „en die woont in de Achtersloot, waar dikkerd. En daar heb jij gediend. Maar nou bij Gijs Lekkerkerker, menschen nog aan toe, wat een verandering. Dat je zoo wijd durft weg te gaan."

„Och man, grijp je eigen op."

„Neen duifie, wacht ik kom bij je, liever grijp ik jou op."

„Dan slaan ik je met een dweil om je vieze ooren. Wegblijven, hoor!"

Maar Pieter van den Boogaard vaart de schouw, die ze van Aart Stam geleend hebben voor een handvol sigaren, naar dat boenhok. En met vieren gelijk springen ze op de wankele planken, nog voor het kittige jonkie een dweil had kunnen grijpen. Of wou ze dat niet eens?

„En zeg ons nou eerst eens, schoone dochter, hoe heet je eigenlijk?"

„En vertel me dan meteen, waar die Achtersloot leit en of er visch zit in die sloot."

De Koets — 15