is toegevoegd aan uw favorieten.

De koets

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

„Niet zoo nieuwsgierig zijn, duifie. En wees maar niet bang, ik weet tot op heden niets dan goeds van je."

„Mooi; als 't maar goeds is. En wie hadden t alzoo

over me?"

„Twee jonge boeren uit het Lopiksche. Een ervan kwam geloof ik uit Kapel.

„Waar was dat?"

„Bij de Goey op 't Ledig Erf."

„In Uitert? In De Geldersche Blom? Dat kan waar zijn, daar spant vader altijd uit. Vertel eens wijer,

baas."

„Kom d'r dan bij zitten, Marregie; ik heb heel den dag aan 't water gestaan. En ik ben het zoo moei.

„Ik anders niks, mooie meneer. En naast je kommen zitten? Dankie, dat lust ik niet. _

„Maar kind nog aan toe, dan wandel je wijer.

„Vertel eerst eens vau die twee uit Lopik.

„Kom je dan wat naast me zitten? ^

„Nou effies maar netjes hoor."

„Netjes? Marregie, kind, waar zie je me voor aan.^

„Voor een ouwen gek. Net als al die stadsmannen.

„Goed, laten we afspreken, dat ze bij jullie in den polder braver zijn, dan wij in de stad." En geholpen door den zittenden ouden gek die haar beleefd een hand biedt, glijdt Marregie naast hem neer aan den waterkant. Maar de takken haalt ze wat naar elkaar toe. Boerenvolk kletst graag en haar jurk moet van verre te zien zijn, zoo ze er niet voor zorgt, dat de bladeren het zicht benemen. „En zeg nou eindelijk op, meneertje."

„Ik heb het je beloofd. Nou, hoor dan. Twee jonge