is toegevoegd aan uw favorieten.

De koets

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

bespraakt. Ik kan toch met geen knecht uit de buurt wat gaan vrijen. En de eigengeërfden uit de hofsteden .... die zijn dalijk zoo astrant."

„Zou je in de stad willen wonen, Marregie?"

„In de stad? Ba nee!" ^

„Maar wel wat meer avonturen beleven, is 't niet

kind?"

„Dat wel baas, je zit hier zoo akelig weggedouwen. Wij meiden van de boeren, we zijn maar alleenig. De stoepmeiden niet. Die gaan op heur rit en hebben ook ongetrouwd zijnde een pleizierig leventje. Wij met. Totdat ineens je ouwers zeggen .... Marregie nou komt morgenmiddag een zeun van dien of dien boer bij ons bouwen, die wil beginnen op zijn eigen. Doe je

beste kleer dan maar eens aan."

„En moet je, als je vader en moeder dat besloten hebben, dan met zoo'n jongen het leven door? Of je

wil of niet?"

„Da's different. Op sommige steeën wel, maar in onze woning heel niet. Dat vordert moeder niet, vat je. Ik mag eigens uitkijken, zegt ze. En dan later eens praten met haar. Maar op eigen gelegenheid met een jonk aanvangen, dat is geen manier bij ons. Maar laat me nou gaan, baas. Hiette die andere soms Verstoep?"

„Ja, eindelijk zeg je het."

„Nou . . . zegt ze verdrietig en springt ineens veerkrachtig overeind. „Dan heb jij alles maar zitten liegen, baas; want in heel Lopik woont gien Verstoep.

Die wonen allegaar Overlek."

„Nou, dan hebben we dus alletwee gelogen, want