is toegevoegd aan uw favorieten.

De koets

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

„Man, ik hoor het al; jij hebt geen verstand van je vak en van wat je zegt. We zijn de stad toch nog niet door. Nog bij lange niet."

„O .... meneer, is 't zoo gesteld. Dan nou zeker in galop naar De Roos?"

„Als daartusschen niets meer bestaat, wat naam mag hebben?"

„Niks, meneer!"

„Dan naar De Roos!" En aldaar was het de beurt van Willem Martens, die er heelemaal de man niet naar was, zich te laten kennen voor een paar rondjes. Ze hebben in De Roos de ronde sociëteitstafel bezet, daar hebben ze ernstig op elkanders geluk en voorspoed gedronken, gezworen, dat ze vrienden waren en bleven en dat Bas ook vriend behoorde genoemd te worden. En al bij 't vierde rondje in De Roos begon Arend Vermey ineens te lamenteeren. Zoomaar ineens kreeg Arend berouw.

„We zitten hier maar en we drinken maar, en we komen maar niet thuis en we worden maar zat . . . ."

„En we grienen bijna . . . ." lacht Christiaan. „We zijn toch uit en we doen toch geen kwaad, arme sukkelaar. Ben je bang? Is er wat aan 't handje thuis? Neem d'r dan nog een om moed te krijgen. Je mag niet vergeten, Arend, we zijn niet héél den dag zat geweest. Zeg nou zelf, zijn we vandaag niet verschillende keeren weer nuchteren geworden?"

„We drinken maar, we trekken van café op café. En wat zijn we eigenlijk nut, wij met z'n vieren? En jullie vrouwen en jullie kinderen . . . ."

„Hij wordt plotseling kindsch, Chris," verzekert