is toegevoegd aan uw favorieten.

De koets

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Want wat zijn de arme menschen toch arm."

Daarom willen ze nu liever zingen. Dan slijten die triestige gedachten en Willem Martens zet in met gorgelende stem:

Ich weisz nicht, was soll es bedeuten,

Dasz ich so ... .

„Nein! . . . brult Arend, „jij bent heelemaal niet traurig, ik ben droevig, waar Chris?"

„Ja hoor, Arend, maar pak er dan nog een, m'n jongeling, dat helpt toch zoo goed."

En tegen de droefenis van Arend drinken ze nou nog een afzakkertje, want echt het is waar, ze moeten nog naar den trein. En die ellendeling van een koetsier zit maar ijzig met z'n oogen te rollen, zou die vent soms zat zijn of iets van een zonnesteek hebben?

„Koetsier, draai je oogen weer eens in 't fatsoen en zeg op, is 't nog ver van 't station?"

„Honderd!" verklaart Bas plechtig, „maar dat geeft niks, we passeeren nog maar één herberg, kameraden."

„Kameraden, heeft ie gezeid. Mooi heeft ie dat gezeid. Zullen we 'm voorhangen als lid?" vraagt Chris.

„Ja!!" brullen de anderen. „Bas van 't Hoog en Droog!"

„Nat is ie!"

„Een zatlap is ie!"

„Nietwaar, een broeder, een getrouwe broeder."

„Bij acclamatie aangenomen. Hurt sik en word eens goed wakker, kameraad. Rijd ons schielijk naar dat laatste, dat alderlaatste drankmagazijn. En in gestrekten draf met den versnelden pas, marsch! denk