is toegevoegd aan uw favorieten.

De koets

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

achter de muren, zoogezegd heelegaar niet zat. En 't is mijn eigen baas zijn koets, waar heeren? Nou, dan mot ik rijen en ik rij. Uwes rijdt niet, waar heeren?"

„Als je dan maar komt, zat of niet zat. De trein staat al een kwartier op ons te wachten." En op dat woord kwamen ze. En ze vielen daarbij niet, omdat ze nog wat steun hadden aan elkaar, met douwen en stompen. En na betaald te hebben, trouw, alles wat van hen gevorderd werd, kwamen ze zelfs in de glimmende koets terecht, rukkende en trekkende, onder vallen en opstaan en bar veel lachen. Daar zaten de vier en ze keken elkaar doodvergenoegd en knipoogend aan.

„D'r hangt hier een vreemde lucht," wist Willem.

„Dranklucht, schat ik," zei de voorzitter verachtelijk. „Zulke koetsen vervoeren ook maar van alles en ze worden niet op tijd schoon gemaakt. Laat jij eens een ruitje zakken, Arend. En ik zal m'n beklag doen over die dranklucht." Maar Arend, die zuchtend over den vloer kroop, kon nergens een ruitje vinden. „Ik geef het op, Chris. Er zitten geen ruitjes in. Ruik jij dan zoolang maar niks."

Onderwijl was de koetsier met geweld bezig op den bok te klimmen en dat deed hij voor zijn doen knaphandig ook. Maar Bas van 't Hoog zat nog niet ree, of hij veranderde van gedachten. Hij heeft zijn volk eigenlijk nog wat te vertellen en daartoe moet hij bij 't portier zijn.

„Kameraden," zegt hij plechtig: „de zon, kameraden, de zon, vat je, nou die gaat gunter onder. Dat zie je toch zelf, al heb je geen verstand van de hemelstreken, zooals ikke. Ik ben bij de marine geweest,