is toegevoegd aan uw favorieten.

De koets

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

voorbij zijn met de wederzijdsche verwijten. We zitten er voor en we moeten er doorheen. Maar voorloopig heb ik nog niet eens reisgeld om naar Frankrijk te kunnen. En ik ga ook niet, voor ik je daar behoorlijk onderdak kan geven. Eer niet. Dus voorloopig vat ik de mars op."

„En waar blijf ik?"

Peter is naar z'n makker Martien de Smet gegaan, de vader van dien Martien was indertijd al reeds maat geweest met den ouden de Raadt. Och ja, voor nood mocht moeder wel een poosje meereizen op hun schuit. Als 't maar niet voorgoed was. Volk van de kermissen, zoo oordeelde Martien, moet elkaar in noodtij in den steek niet laten, vandaag is het jan, morgen is 't piet. Heden ik, morgen jij. Hulp moest er zijn voor moeder de Raadt en hulp werd geboden. Ze verdiende op deze manier ook nog wat bij, eerst met een stok ballonnetjes en later met een open uitstalling poppen. Maar 't bleef dunne kost, want ze werd voor dat werk te oud, kon 't geld nog maar amper onderscheiden en dan die altijd-knagende maag en dat bange bloed-opgeven.

Peter zag ze zelden. Peter was den boer op met zijn bruingeschilderde mars. Ach, als ze hem wegstrompelen zag, na weer een kort bezoek, dan moest ze zoo fel aan haar schoonvader, Peters grootvader denken. Een kerel hoog en sterk als een draaimolenas, net als Peter. Maar welgeschapen van lijf en leden. Een prachtige rijzige vent in zijn goeden tijd, kon alle rijke meiden die op het kermispad waren, bekomen met alle denkbare gemak. Ze zeggen zelfs, dat hij de dochter van den rijken Teeuwen heeft kunnen krijgen, de eerste