is toegevoegd aan uw favorieten.

De koets

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

gang; goed kan je zien dat hij 't leuren langs den dijk van jongsaf niet gewoon geweest is. En ze bedient hem graag en 't kan haar niet schelen ook, dat hij dat merkt. Hoe is dat eigenlijk mogelijk, zij, een meisje van burgerouders, bedient zoo graag den zwarten Peter, een koopman-loopman met een mars en een houten poot. O, als ze thuis hoorden, dat ze zich Dina noemen laat door een klant uit de grossierderij en dat ze een keer toegelaten heeft, dat die marskramer haar onstuimig door 't wilde blonde haar heeft gekrauweld, ze sloegen haar misschien wel dood.

„Slaan ze je dan dood, Dina? Waarom?

„Ze zullen zeggen, dat ik van je stand niet ben,

Peter."

„Dan zal ik je ooit komen halen uit je huis, met een prachtig span paarden. En met een fijnen wagen. Want dat doe ik, dat bereik ik."

„Is 't dan waar, dat je rijk bent, of toch geweest? „Rijk? Ik? Nee Dina, dat ben ik niet. Maar ik spaar om van den weg af te komen. En als ik zoo ver ben, als ik een wagen kan koopen, rij jij dan met me mee?

„In een woonwagen? Maar had je vader dan geen schip en een kraam op de kermissen?"

„Ja, en die heele santemekraam heb ik vergokt. Vroeger ben ik een bandiet geweest, Dina. Maar alles komt niet ineens terug. Ik moet er voor beulen en

nu al jaren lang."

„Ben jij een bandiet geweest, Peter?"

„Dat geloof je natuurlijk niet, hè kind?"

„Nee, dat kan ik niet gelooven. Daar zie je toch niet

naar uit."