is toegevoegd aan uw favorieten.

De koets

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

„Hoe zie ik er dan uit?"

„Als een man," zegt ze, „een man, ja, hoe ga ik dat benamen. Als een, die veel macht heeft."

„Sterk?"

„Ja, sterk ook. Maar die veel te commandeeren heeft."

„Ach arm, ik die leef op brood en leverworst, drie en twintig cent per dag en een kwartje nachtlogies."

„Wil je dan niet anders? Wil je niet in een kosthuis?"

„Ja, maar 't leven onder de burgers is zoo duur."

„Als ik thuis eens vraag wat het bij ons kosten zou?"

„Doen ze toch niet. En zeker niet als ze alles weten, meid. Want jij gaat straks, als ik je halen kom, toch met me mee voorgoed?" Hij wil zijn armen om haar heen slaan, maar de kleine Gijs komt binnen. Gijs woont doorgaans in dorp of stad op 't zelfde logement waar de zwarte Peter neerstrijkt. Maar welk een verschil. Alles is vies en afzichtelijk aan dat gedrocht, 't Is of Dina daar een wandelenden vuilnishoop ziet binnenkomen. 't Ventje is onder de maat, hij heeft een bidt, maar daarin past precies zijn mars, die hij kunstig naar zijn rugmodel heeft laten timmeren. En hij heeft plukkerig rood haar met kale plekken van 't hoofdzeer dat nog altijd zijn ouden kop mismaakt. Hoeveel jassen Gijs draagt, weet Dina niet, maar heele balen verrafelde kleer hangen te slobberen om zijn vuile lijf. 't Zal daarom zijn, dat ze Gijs zelfs op logement een vies wangedrocht achten en 't Rooie Ondier noemen.

Dina, die lustig en wel over de toonbank gehangen heeft, springt recht en slijt wat kamferballen tegen de mot en de vlooien aan haar miserabelen klant, die haar betaalt met centen en haUjes.

De Koets — 20