is toegevoegd aan uw favorieten.

De koets

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

„Kleiner heb je zeker niet, Rood Ondier?"

„Nee, duifie, de boeren betalen met halfies, omdat de kwartjes uit de mode zijn. Kom je bij mij ook eens lief over de toonbank hangen, dikkerdje?"

„Ga weg, vieze vent."

„Ik ga al, liefde, ik ga al. De zwarte Peter hè, die staat jou beter aan, die heeft de kloefen op de bank. Maar ik, ik heb ten minste twee eigen pooten om te wandelen. Dat is ook wat waard in een loopman zijn leven; ha, ha."

„Je bent me te vuil om aan te pakken en te nietig ook, maar neem je in acht voor me, Gijs."

„Ik ga al, ik ga al!" en hij wuift in 't heengaan nog eens valsch vrindelijk.

„Hij heeft toch niets gezien, Peter? Als zoo'n zwerver toch eens gaat praten op 't logement."

„Dan trap ik zijn mispelenkop tot moes, Dina. Laat dat maar aan mij over. Maar ik ga eens praten met je ouwelui, ik wil toch zelf ook weg van 't logement."

Dina heeft eerst thuis over Peter gesproken en toen is hij zelf gekomen. Zonder dat ze bij haar thuis vernamen, hoe 't onderling met die twee gesteld was, kwam Peter daar in den kost. En hij zei er trouw juffrouw Dina tegen het blonde jonkie. Ja, om zich thuis niet te vergissen, zei hij ook juffrouw Dina, als hij van haar kocht en als hij naast haar voortstommelde in den avond. Dan vonden ze elkaar op een afgelegen plek, een blond arbeidersmeisje dat zich omknellen liet door een zwerver met koolzwarte oogen, een vent die machtig worden wou. Een zeer ongelijk paar, maar opgaand in vol vertrouwen tot elkander. Al sloegen ze me dood,