is toegevoegd aan uw favorieten.

De koets

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

daar was ook die telkens herhaalde doffe klop. En vaders bonkstap hoorde hij zoo graag. Toen dat langs zijn geheime plekje kwam, dof ging het bonk-bonk over de roodaarden tegels maar véél onregelmatiger dan gewoonlijk, hoorde hij vader hijgen en kreunen. En dat vond Christiaan toen echt aardig om te hooren, daarom hield hij zich héél stil. Leuk .... vader zocht hem. Vader wou zeker weer wat gaan wandelen, misschien wel naar de IJsselboot om daar te vragen of er kisten waren aangekomen. Of hij mocht wellicht mee naar den barbier? Bij vader wist je dat nooit vooruit, 't kwam altijd per verrassing.

Nu zou hij vader nog éven laten zoeken. Waar zou vader nu nog heen gaan? Christiaan hoort het al, wéér naar boven, nog hooger en nog hooger, vader bonkt opnieuw over den zolder. Nu staat hij stil, nu loopt hij weer; twee passen, drie passen .... vader staat stil. Heel lang staat hij stil, wat duurt dat akelig lang. Waarom hoort hij nu het bonk-bonk niet meer? Maar ineens hoort hij de toffels van moeder trippelen, driftig en gebiedend, nèt of moeder kwaad is of haastig is. Kwaad op vader? Of kwaad op hem? „Christiaan! Christiaan! Waar ben je? Kom voor den dag, ondeugend kind!"

Tweemaal heeft ze zijn naam geroepen. Eenmaal gebiedend, toen dreigend, naar 't hem lijkt. Krijgt hij nu klappen? Is hij stout geweest; hij weet dat niet. Hij weet ook niet waarom, maar hij kan nu niet zitten blijven. Hoe zou hij dat durven? „Piep!" roept Christiaan, „piep, hier ben ik. M'n beenen steken zoo!"

Moeder grijpt hem vast, heft hem uit de ribbelzeep-