is toegevoegd aan uw favorieten.

De koets

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

bent een prachtexemplaar van een heiligen poepzak. En je vrouw kent jou natuurlijk, tot diep onder je huid. En nou vraag ik jou, Eef.... en draai er niet omheen, kijk me recht aan .... heeft ze je tóch niet in 't vizier?"

„Ze is verstandig genoeg om te weten, dat we allemaal menschen zijn, met menschelijke gebreken, die ook haar niet vreemd zijn. Maar dacht je dat dat de oprechte liefde uitsluit?"

„Je bent wel zoo braaf, kerel, dat ze je later moesten opzetten, Eef. Maar ik ben nu eenmaal anders. Jij hebt een vrouw, maar overigens ook niets van het leven. En ik heb meer van 't leven, weet je. Ik benijd je dan ook niet. Want als jij, zeg nu maar eens, hoogstens éénmaal in de honderd jaar een slippertje maakt, heet jij je leven lang een stiekeme en oogverdraaier. Maar als ik het een heele maand aan een stuk in de zaak te druk heb om met een hef kind gebbetjes te maken, zegt de wereld .... Willem Martens is tenslotte toch een nette vent, want hij is al aardig op weg."

„Laten we er over ophouden, Willem. Als ik kom te praten over mijn inzicht, dan snij je het af, want dat is preeken. Maar jouw overtuiging, of die flauwe praat die je daarvoor verslijt, moet ik wèl voluit aanhooren."

„Ja, 't is waar, daarin hang je recht, Eef. Eigenlijk moesten we doodsvijanden zijn. Maar we houden te veel van de zaak en ... . verdragen daarom elkaar."

„Maar ik ben heelemaal je vijand niet, laat staan je doodsvijand en jij haat mij niet; dat weet ik voor jou mee."

„Heb je 't eigenlijk al niet opgegeven, me te be-