is toegevoegd aan uw favorieten.

De koets

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

opgezocht in een luxueus café en daar dronken we koffie met een liqueurtje. Ineens zei ik: „Ze verwachten je hopenlijk niet al te gauw in Alkmaar, daar kan je vanavond namelijk niet meer zijn."

„Ik dacht er juist aan," zei ze rustig. „Maar ik heb niet precies afgesproken. Omdat we pas in den middag den leeraar konden spreken, heb ik in m'n brief geschreven, dat ik vanavond óf morgen zou komen."

Dat vond ik verstandig van Liza. „Zullen we," vroeg ik daarop, „zullen we vanavond naar de schouwburg gaan?"

„Neen, meneer Willem, daar is papa fel op tegen en doe ik ook niet. Maar is hier nergens goede muziek te hooren?"

„Kind, ik heb daar geen verstand van. Doe me dat alsjeblieft niet aan. Laten we dan liever wat naar de zee gaan." Ze berustte en daarop zijn we naar de zee gegaan en die avondwandeling was al even feestelijk als het dinertje. Dat we 't ook juist moesten treffen, dat de zee dien avond phosphoriseerde. Waar we hepen waren onze voetstappen te zien als lichtende sporen. En we hepen wel een uur gaans ver, als twee stom-verliefde kinderen. Ze was zoo hartelijk, m'n kleine Liza, want ik had haar arm genomen en daarmee drukte zij zich vast tegen mij aan. „Meneer Willem," zei ze op een oogenblik: „nu ik zoo heerlijk vertrouwelijk met u wandel — ach, wat is het toch een verrukkelijke zachte nacht — nu moet ik het u nog eens zeggen, hoè dankbaar ik u wel ben, dat u mij dat allemaal mogelijk gemaakt heb. Weet u, het is mij, of ik een sprookje beleef. U bent zoo goed voor me,