is toegevoegd aan uw favorieten.

De koets

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

we zijn vandaag zoo gelukkig samen geweest en nu ben ik zoo geschrokken van uw woorden — ik ken geen God. — De schaamte is al erg, maar valt daarbij weg, want dat is nog erger Ik heb zoo diep medelijden met u, meneer Willem. En ik vind u toch overigens zoo'n goed mensch."

„Liza, meisje, ga slapen en wees kalm. Denk maar niet aan den goddeloozen vent, die met je op dezelfde kamer vertoeft."

„Ik moet wel aan u denken, meneer Willem."

„Liza, ik doe het hcht uit. Slaap zacht, m'n kindje." En weer trok ik het b'cht uit.

In het donker vroeg ze me toen: „Als ik nu hier uw zin gedaan had, meneer Willem, had u dan later met me willen gaan trouwen?"

„Neen, Liza, dat niet."

„O, wat bent u toch eerlijk. Maar wat is het dan verschrikkelijk, zoo u denkt en doet."

„Liza, moet ik het nu nog eens zeggen? Of moet ik boos op je worden? Houd daar dan over op, meisje; ik weet nu al lang hoe oneindig ver jouw meening van de mijne verschilt. Ik wil bovendien heelemaal niet trouwen, met geen enkel meisje. Begrepen?"

„Nee, meneer Willem, dat begrijp ik niet, mitsdien u zoo goed bent voor meisjes, en met een meisje doen wilt als getrouwden doen."

„Liza, wat ben jij toch een onbedorven kind. Slaap nu maar, wel te rusten."

„Meneer Willem .... bent u boos op me?"

„Neen, Liza, neen. En haal nu dit maar niet in je hoofd."