is toegevoegd aan uw favorieten.

De koets

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

moed bij elkaar geraapt. Toen is ze er op een stillen avond, ze zaten vredig bij elkaar, over begonnen. Ze weet dat nog als ware het gisteren gepasseerd. Ze zaten in de serre en de deuren stonden open.

Pieter luisterde, tot hij begreep waar zijn vrouw op doelde, smeet z'n Saksisch-porceleinen pijp, brandende en wel kapot op de tongkin serremat en staarde haar zoo dreigend aan, alsof ze bezig was een schandaal uit haar eigen jeugd te biechten. Ze weet nog goed, hoe zij haar zinnen over dat erge onderwerp monotoon had ingezet, juist met het oogmerk om zelf heel kalm te blijven. En nog voor ze aan 't einde van haar droef relaas was, lag die brandende pijp al aan diggelen. „Ik luister niet meer naar je!" schreeuwde hij met ongewoon hoog stemgeluid en hijgende. „En luister jij maar naar vijanden van ons geluk!" Met die woorden liet hij haar bevend van den schrik, alleen.

Maar dienzelfden nacht heeft Pieter haar kussend gewekt. „Vrouw," zei hij, teer voor zijn doen: ,,'t is allemaal waar, of zoowat waar, laat dat in 't midden, maar wil je 't er alsjeblieft nooit meer over hebben? De heugenis alleen is al erg genoeg voor me."

„Graag, Pieter," zei ze, mild huilend „en liever maar, want het grijpt je zoo aan, heb ik gezien." En daarom weet zij nu, als de eigen huisvrouw van Pieter den bakker, nog niet het fijne ervan. Alleen Pieter weet het, maar tij zwijgt. Heeft zoo'n man, zoo'n in-degelijk correct mensch, nu nooit eens de behoefte, zich geheel en al uit te spreken tot zijn eigen vrouw, over wat hij als knaap heeft uitgebraaien? Neen, ze ervaart toch dat hij die behoefte heelemaal niet heeft.