is toegevoegd aan uw favorieten.

De koets

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

hij hoorde en hij zag het haar ook zeggen. Hij zag haar prachtig voor zich in zonnen van kleurlicht. Wat kostte het hem weinig moeite zich te verbeelden, dat ze haar dank voor hem uitte, door haar wollen kleertjes vliegensvlug uit te werpen en in het tricot voor hem te buitelen. Voor hem alleen. En dat deed ze zoo koddig, telkens naar hem toe, steeds dichter naar hem toe en dan weer van hem af. Maar als hij haar juichend meende te kunnen pakken, duikelde ze lachend weg; nooit kon hij haar aanraken, die kleine grappige kaatsebal. En ineens sprong ze weer veerkrachtig in haar wollen vachtje. Wij moeten warme wollen kleer dragen vertelde ze hem, wij vatten zoo spoedig kou na zoo 'n zware oefening. — Heeft ze die woorden nu werkelijk gezegd, of heeft hij zich dat maar voorgesteld in zijn verbeeldingen ?

„Als ik jou zie dansen en zie springen door den hoepel en vooral als ik je zie buitelen," zei Pieter op een keer, „dan weet ik zeker, dat ik 't hier dezen zomer alleen niet uithoud. Dan ga ik jullie achterna."

„Maar wat moet je toch bij ons doen?"

„Ik kan op mijn handen loopen."

Ze moest er om schateren. Dat stijve bakkertje met zijn kortgeknipt haar kon echt op z'n handen loopen. Ja zeker, want hij deed het haar ook voor. Mal was dat, want zijn heele lijf krampte ervan, want hij wist heelemaal niet hoe hij zijn spieren het beste kon sparen. „En ik leer ook duikelen."

„Dat leer jij nooit," plaagde ze, „jullie zijn toch allemaal veel te stijf om salto's te maken."

„Is het waar," vroeg hij ineens ernstig, „hebben ze