is toegevoegd aan uw favorieten.

De koets

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

„Ach jij; je bent zelf nog een kind. En wat kan je eigenlijk? We moeten dan toch kunnen leven! Kan jij me onderhouden?"

„Nee, nog niet," zegt hij nadenkend. „En nou zeker niet, want ik mag bij de achtbaan ook al niet meer terug komen. Om jou."

„Om mij, dat bestaat toch niet."

„Wel waar. Omdat ik tweemaal naar je toe ben gegaan, zonder te vragen."

„Wat een jongen!"

„We moeten vluchten, Elly m'n beminde," zegt hij ineens wild.

„Dat heb je zeker in een boek gelezen, Pieter. Dat gaat toch niet. We zijn niet mondig. En ik wil ook niet met je vluchten, ik blijf bij vader en moeder."

„Als je nou maar geen kind moest krijgen," jammert Pieter, „dan bleef ik gewoon bij je, overal bij je, van kermis tot kermis."

„En je oom en het tuchthuis?"

„Ze zullen me niet vinden en niet vangen ook; vast niet als ik niet wil. Maar wat moeten we dan toch doen?"

„Ik weet het zelf niet."

„Weet je vader het al?"

„Nog niet. En moeder nog niet eens. Maar ik word soms zoo duizelig onder 't werk. En dat wordt erger, alle weken erger. Ze moéten het wel gaan merken. En ik moet het zeggen ook."

„Verschrikkelijk voor je." En Pieter ging de kermis op; hij moest alleen zijn, hij wou denken.

Dit onverwacht bericht maakte het avontuur zoo erg, zoo onafwendbaar. Voor hem en voor haar. Wat oom