is toegevoegd aan uw favorieten.

De koets

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

dolle rekel en die buitelde een buiteling voor het kindvrouwtje in 't rose tricot, zijn kind. Want hij begeerde haar voor zich te winnen. Hij greep dien schoft in zijn borstvel en wierp hem van de zoldertrap. Wie waagt het, te raken aan zijn mooi elastisch kindvrouwtje, zijn kind? Zijn eenig kind.

Daarna heeft bakker Pieter gedroomd: een acrobatenmeisje, zijn kind, vrouw geworden, trouwde met een bakker, een helderen bakker zoowaar, een kraakzindelijken bakker. Ze neep haar vleeschkleurig tricot tot een bundeltje en wierp het weg. Het rook naar het variété, naar schmink rook dat bundeltje. Het dwerrelde door de lucht, op den hoogen wind werd het meegevoerd, over landwegen, voorbij dorpen en steden, naar Gouda. Naar den Kleiweg, Kleiweg 88. Dwars door de beschoten kap van zijn zolder daalde het, door de kamers en de verdiepingen. Door de zoldering van zijn bakkerij met zacht geweld, door het trogdeksel .... in den brooddeegtrog. Hij heeft daar brood van gebakken en meende dat het helder was, zindelijk, blank en glanzend. Maar 't rook naar schmink en variété, naar een buitelend kind, nu ook vrouw. En daarom weten nu zijn klanten alles ....

Toen heeft bakker Pieter gedroomd .... ze is nog nimmer in haar vaders winkel gekomen, want haar moeder leeft. En haar moeder heeft gezegd, toen die zelf nog kind was, een kind zwanger van een kind: moordenaar, zoolang ik leef zal jij je kind niet zien. Maar wie leeft eeuwig? Niemand leeft eeuwig. Eenmaal sterft ook een kindvrouwtje, een buitelende dansende altijd jonge, eenmaal sterft ze toch. En dan is dat