is toegevoegd aan uw favorieten.

De koets

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

een niet bestaand kind van een vrouw, die nimmer in zijn leven kan hebben bestaan. Anders is de werkelijkheid. Hij heeft dit niet wezenlijk beleefd met een buurmeisje in vleeschkleurig tricot, maar heeft het verlangd, als een kind dat tot man ontwaakte. Het is de gestalte van zijn verlangen: een dansend en buitelend kindvrouwtje, gewillig en lief, zoomaar onder het bereik van zijn hunkerend lijf en bevende handen.

En nog een andere maal, ziet hij uit een gekleurden nevel van oliebollendamp, confetti en acetyleenlicht, een figuurtje loskomen, een slank wiegend figuurtje. Dat wordt weer dansen en buitelen en duikelen denkt hij verstoord, daar komt weer zoo'n phantasmagorie naar me toe stormen en ik weet dat al, ik ken dat al: Elly, of weer haar dochtertje, mijn kind, maar toch Elly's kaatsebal-achtige gestalte ....

Maar dat figuurtje wordt grooter en forscher, veel forscher dan hij eerst dacht en ooit zag in deze droomen. Maar toch blijft die gestalte slank. Rijzig en slank treedt uit de nevels en 't draaiorgelgejengel een jonge man, athletisch een halter heffend. Een prachtig man verschijnt daar, groeiend uit niets. Hij ziet hoe die athleet zijn halter heft, Pieter de bakker staart in twee verheven-gestrenge oogen. Wat is hij schoon symmetrisch en gestreng, deze athleet. En zie, deze oogen, die het onbehoorlijke haten, hij herkent ze: zijn eigen oogen. De oogen waarmede hij zich keert tegen onzindelijkheid en wanorde, inbreuken op zijn onberispelijke bakkersreputatie.

Wat is hij schoon, de zoon dien hij nimmer heeft mogen zien. Niet klein en rond en mollig, hij duikelt