is toegevoegd aan uw favorieten.

De koets

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

niet en glimlacht niet, de hand een weinig geheven om te danken voor applaus; neen, spierkracht en gestrengheid, louter edele kracht straalt hij uit, zijn eigen zoon.

Pieter van den Boogaard spreidt in verrukking om de verrassing, belichaamd in deze jonkmannelijke schoonheid, zijn armen uit: „Mijn zoon, mijn zoon .... en gij leeft!"

„Wat wilt gij van mij ?" vraagt de zoon met vreeselijk stemgeluid.

„Zeg mij, waar je moeder is, mijn kind."

„Mijn moeder is dood; anders zoudt gij mij immers niet zien. Wat wilt gij van mij?"

„Kom tot mij en hef niet langer dezen halter als een bedreiging boven mijn hoofd; kom, ik ben je vader."

„Mijn vader? Mijn vader is een moordenaar! Dus zal ik moordenaar zijn als mijn vader, moordenaar van mijn vader. Gelijk mijn vader mij vermoorden wilde, zoo wil ik hem vermoorden. Vader, buig het hoofd!"

De halter suist eenige malen boven het gebogen hoofd van den gehoorzamenden vader, plotseling breekt een tumultueus geweld zijn schedel en nek. Pieter moet nu drinken zijn eigen bloed, dat uit afschuwelijke schedelwonde vloeit naar zijn mond. Woest wil hij zich verweren tegen het besef van de vernietiging, maar dit is wel een verweer tegen het onafwendbare, het overgroote. Hij zweeft thans door bloed, zijn eigen bloed, waarin hij stengels ziet omhoog pijlen van waterplanten en ook schaduwen waarneemt van groote bladeren, die wiegen op het meer van bloed.

Maar toch, krampt plotseling door het weten van