is toegevoegd aan uw favorieten.

De koets

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

zoon Arend .... schilder, een koopmanszoon schilder.

Hij vond in zijn eenzaam verlangen toenmaals nergens steun. Ook niet in zichzelven, want er woelde een twijfel in hem, of hij ooit wel slagen zou. En hij had angst van armoe. Toen hij er eens over sprak met een kunstschilder dien hij aantrof in een boerenbuurt, zei deze: „Als je er niet zóó van bezeten bent, dat je er als 't moest de armoe, de gevangenis, de galg voor zou willen trotseeren .... dan moet je 't maar niet beproeven, jongen. Doe jij dan maar je vaders zin." Ook daar dus geen steun, overal wankelheid. Geheel alleen stond hij tusschen tegenstanders en die overmaat aan tegenstand is hem te machtig geworden. Hij gehoorzaamde, ging willig naar Rotterdam en daar werd hij tot een levensbesluit gedreven: Treesje.

En dit besluit is goed geweest. Ze is nu heen, weer is hij eenzaam. Maar nu is er een wieg waar Joachim in ligt, haar kind. En nu ook is zijn herinnering vervuld van het lieve handelsvrouwtje, dat hem alleen moest laten, omdat haar poort te nauw, haar kracht niet toereikend was gebleken.

Bitter is deze eenzaamheid. Maar Treesje heeft roerloos en zonder verweer negen maanden gewacht, Arend zal evenveel jaren wachten, alsdan zal hij aanspraak hebben aan Joachim, den voortzetter van haar vaders naam. Arend Vermey leert in die jaren geduldig zijn, op het voorbeeld van een vrouwtje dat geduldig was tot de dood er op volgde. De zaak leidt hem af van triestig denken, maar de avonden zijn dor. Hij heeft eens zijn schilderskist van den zolder gehaald, maar weer weggezet ook. Hij is zoo onmachtig, zijn kunnen