is toegevoegd aan uw favorieten.

De koets

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

uit een tweede huwelijk zouden ook deelgenoot zijn en vader Hohmann heeft van zijn dochter maar één familiekind: Joachim. Maar Arend haalt hertrouwen nog niet eens voor zijn denken.

Ineens komt hij toch voor die vraag te staan, omdat zijn eigen familie in die richting drijft. Maar wrevelig wijst hij dat af. Iedereen mag dat stom van hem vinden, hij zoekt die dingen niet meer, al is hij nog jong. Want haar wegbloeden en afsterven heeft hem zoo machtig in de borst gegrepen, hij ziet haar immerweer sterven, sterven voor haar kind. Haar kind dat hij gewild heeft en waarvoor zij zoo veel geduld heeft. Het ware hem zoo beschamend, indien hij thans deed wat bijna iedere man doet in zijn omstandigheid verkeerend. Arend voelt dat als een ontrouw aan de moeder-martelares, zijn pittig klein Treesje.

Een femelaar is hij niet, een offerleven jaagt hij niet na. Maar er is een matheid over zijn wil gekomen. Hij is eens weggestormd om zijn levensdoel te verwerven, schilder te zijn .... hij is winkelier geworden net als vader. Een val uit hoogen toren. Maar die winkelier heeft een vrouw liefgehad en die heeft hij gevonden in het koopmansmilieu. En dat handelsvrouwtje, heeft hem midden tusschen het textiel geplaatst, daar staat hij nu rotsvast. Hoe liggen al zijn vroegere dwaze bestrevingen daar als iets miniems verworpen, tegenover dat groote besef: Treesje heb ik liefgehad, Treesje de koopvrouw. Heel zijn ideëele bestreving balt zich nu samen op haar nagedachtenis. Hij is daar niet sentimenteel in, hij grient niet om Unkel am Rhein, maar Arend herdenkt haar rechtschapen en een beetje